zwenken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwenken

The word "zwenken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwenken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwenkend
Past participle - Verleden deelwoord: gezwenkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwenk
jijzwenkt
hijzwenkt
wijzwenken
julliezwenken
zijzwenken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezwenkt
jijhebt gezwenkt
hijheeft gezwenkt
wijhebben gezwenkt
julliehebben gezwenkt
zijhebben gezwenkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwenkte
jijzwenkte
hijzwenkte
wijzwenkten
julliezwenkten
zijzwenkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezwenkt
jijhad gezwenkt
hijhad gezwenkt
wijhadden gezwenkt
julliehadden gezwenkt
zijhadden gezwenkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwenken
jijzult zwenken
hijzal zwenken
wijzullen zwenken
julliezullen zwenken
zijzullen zwenken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezwenkt hebben
jijzult gezwenkt hebben
hijzal gezwenkt hebben
wijzullen gezwenkt hebben
julliezullen gezwenkt hebben
zijzullen gezwenkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwenken
jijzou zwenken
hijzou zwenken
wijzouden zwenken
julliezouden zwenken
zijzouden zwenken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezwenkt hebben
jijzou gezwenkt hebben
hijzou gezwenkt hebben
wijzouden gezwenkt hebben
julliezouden gezwenkt hebben
zijzouden gezwenkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwenk

Verbs similar to 'zwenken'

Translations

  • slew, to veer a vehicle
  • swing, to rotate about an off-centre fixed point
  • waive, to sway
  • wave, to move back and forth repeatedly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch swenken, from Old Dutch *swenken, from Proto-West Germanic *swankijan, from Proto-Germanic *swankijaną (“cause to swing”) a causative to *swinkaną (“to swing”). See: Proto-Germanic '*swankijaną'.

    Additional Information