wentelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wentelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wentelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wentelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewenteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwentel
jijwentelt
hijwentelt
wijwentelen
julliewentelen
zijwentelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewenteld
jijhebt gewenteld
hijheeft gewenteld
wijhebben gewenteld
julliehebben gewenteld
zijhebben gewenteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwentelde
jijwentelde
hijwentelde
wijwentelden
julliewentelden
zijwentelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewenteld
jijhad gewenteld
hijhad gewenteld
wijhadden gewenteld
julliehadden gewenteld
zijhadden gewenteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wentelen
jijzult wentelen
hijzal wentelen
wijzullen wentelen
julliezullen wentelen
zijzullen wentelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewenteld hebben
jijzult gewenteld hebben
hijzal gewenteld hebben
wijzullen gewenteld hebben
julliezullen gewenteld hebben
zijzullen gewenteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wentelen
jijzou wentelen
hijzou wentelen
wijzouden wentelen
julliezouden wentelen
zijzouden wentelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewenteld hebben
jijzou gewenteld hebben
hijzou gewenteld hebben
wijzouden gewenteld hebben
julliezouden gewenteld hebben
zijzouden gewenteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwentel

Translations

  • wallow, to roll oneself about, as in mire; to tumble and roll about; to move lazily or heavily in any medium; to flounder; as, swine wallow in the mire
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch wentelen.

    Additional Information