doelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doelend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoel
jijdoelt
hijdoelt
wijdoelen
julliedoelen
zijdoelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoeld
jijhebt gedoeld
hijheeft gedoeld
wijhebben gedoeld
julliehebben gedoeld
zijhebben gedoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoelde
jijdoelde
hijdoelde
wijdoelden
julliedoelden
zijdoelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoeld
jijhad gedoeld
hijhad gedoeld
wijhadden gedoeld
julliehadden gedoeld
zijhadden gedoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doelen
jijzult doelen
hijzal doelen
wijzullen doelen
julliezullen doelen
zijzullen doelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoeld hebben
jijzult gedoeld hebben
hijzal gedoeld hebben
wijzullen gedoeld hebben
julliezullen gedoeld hebben
zijzullen gedoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doelen
jijzou doelen
hijzou doelen
wijzouden doelen
julliezouden doelen
zijzouden doelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoeld hebben
jijzou gedoeld hebben
hijzou gedoeld hebben
wijzouden gedoeld hebben
julliezouden gedoeld hebben
zijzouden gedoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

duiden
zinspelen
munten
mikken, richten
zinspelen
insinueren, aanduiden

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch doelen (“to target-practice”), equivalent to doel + -en.

Additional Information