Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: koelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: koelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekoeld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | koel |
| jij | koelt |
| hij | koelt |
| wij | koelen |
| jullie | koelen |
| zij | koelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gekoeld |
| jij | hebt gekoeld |
| hij | heeft gekoeld |
| wij | hebben gekoeld |
| jullie | hebben gekoeld |
| zij | hebben gekoeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | koelde |
| jij | koelde |
| hij | koelde |
| wij | koelden |
| jullie | koelden |
| zij | koelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gekoeld |
| jij | had gekoeld |
| hij | had gekoeld |
| wij | hadden gekoeld |
| jullie | hadden gekoeld |
| zij | hadden gekoeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal koelen |
| jij | zult koelen |
| hij | zal koelen |
| wij | zullen koelen |
| jullie | zullen koelen |
| zij | zullen koelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gekoeld hebben |
| jij | zult gekoeld hebben |
| hij | zal gekoeld hebben |
| wij | zullen gekoeld hebben |
| jullie | zullen gekoeld hebben |
| zij | zullen gekoeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou koelen |
| jij | zou koelen |
| hij | zou koelen |
| wij | zouden koelen |
| jullie | zouden koelen |
| zij | zouden koelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gekoeld hebben |
| jij | zou gekoeld hebben |
| hij | zou gekoeld hebben |
| wij | zouden gekoeld hebben |
| jullie | zouden gekoeld hebben |
| zij | zouden gekoeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'koelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'koelen'
doelen,
joelen,
kelen,
kielen,
koeken,
koeren,
kogelen,
kolen,
kollen,
kroelen,
Translations
cool, to make colder (literally)
cool, to make less intense, e.g. less amicable
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] nacht; hoewel wij niet slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul zoo hevig als ik nimmer gehoord had.
(Robinson Crusoe)
-
[...] wel eens als eene beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken, tot hij u ingehaald heeft.
(Robinson Crusoe)
Etymology
1. From Middle Dutch coelen, a merger of two Old Dutch verbs:
2. * *cuolen (“make cooler”), from Proto-West Germanic *kōlijan, from Proto-Germanic *kōlijaną.
3. * *cuolon (“become cooler”), from Proto-West Germanic *kōlēn.
4. Equivalent to koel + -en. See: Proto-Germanic '
*kōlijaną'.
Verbs referencing "koelen"
English
cool, German, old spelling
kühlen, Danish
køle, Alemannic German
chuele.
Additional Information