koelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of koelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: koelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: koelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekoeld

Cognates

See the 5 cognates of koelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoel
jijkoelt
hijkoelt
wijkoelen
julliekoelen
zijkoelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekoeld
jijhebt gekoeld
hijheeft gekoeld
wijhebben gekoeld
julliehebben gekoeld
zijhebben gekoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkoelde
jijkoelde
hijkoelde
wijkoelden
julliekoelden
zijkoelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekoeld
jijhad gekoeld
hijhad gekoeld
wijhadden gekoeld
julliehadden gekoeld
zijhadden gekoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal koelen
jijzult koelen
hijzal koelen
wijzullen koelen
julliezullen koelen
zijzullen koelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekoeld hebben
jijzult gekoeld hebben
hijzal gekoeld hebben
wijzullen gekoeld hebben
julliezullen gekoeld hebben
zijzullen gekoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou koelen
jijzou koelen
hijzou koelen
wijzouden koelen
julliezouden koelen
zijzouden koelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekoeld hebben
jijzou gekoeld hebben
hijzou gekoeld hebben
wijzouden gekoeld hebben
julliezouden gekoeld hebben
zijzouden gekoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoel

Translations

  • cool, to make colder (literally)
  • cool, to make less intense, e.g. less amicable
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] nacht; hoewel wij niet slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul zoo hevig als ik nimmer gehoord had. (Robinson Crusoe)
    • [...] wel eens als eene beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken, tot hij u ingehaald heeft. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    1. From Middle Dutch coelen, a merger of two Old Dutch verbs:
    2. * *cuolen (“make cooler”), from Proto-West Germanic *kōlijan, from Proto-Germanic *kōlijaną.
    3. * *cuolon (“become cooler”), from Proto-West Germanic *kōlēn.
    4. Equivalent to koel + -en. See: Proto-Germanic '*kōlijaną'.

    Verbs referencing "koelen"

    English cool, German, old spelling kühlen, Danish køle, Alemannic German chuele.

    Additional Information