joelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of joelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: joelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: joelend
Past participle - Verleden deelwoord: gejoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjoel
jijjoelt
hijjoelt
wijjoelen
julliejoelen
zijjoelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejoeld
jijhebt gejoeld
hijheeft gejoeld
wijhebben gejoeld
julliehebben gejoeld
zijhebben gejoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjoelde
jijjoelde
hijjoelde
wijjoelden
julliejoelden
zijjoelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejoeld
jijhad gejoeld
hijhad gejoeld
wijhadden gejoeld
julliehadden gejoeld
zijhadden gejoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal joelen
jijzult joelen
hijzal joelen
wijzullen joelen
julliezullen joelen
zijzullen joelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejoeld hebben
jijzult gejoeld hebben
hijzal gejoeld hebben
wijzullen gejoeld hebben
julliezullen gejoeld hebben
zijzullen gejoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou joelen
jijzou joelen
hijzou joelen
wijzouden joelen
julliezouden joelen
zijzouden joelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejoeld hebben
jijzou gejoeld hebben
hijzou gejoeld hebben
wijzouden gejoeld hebben
julliezouden gejoeld hebben
zijzouden gejoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjoel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

A variant of jolen, from Middle Dutch jolen (“to sing loudly, cheer, rejoice”). Cognate with Middle Low German jolen (“to hoot, holler, rejoice”) (whence German Low German jöhlen (“to hoot, holler”)), German johlen (“to hoot, howl, jeer”), West Frisian joelje (“to shout”), Saterland Frisian jöälje (“to hoot, holler”). Compare also Dutch juilen (“to howl, yelp”), Middle English youlen (“to cry aloud, howl”). See: German, old spelling 'johlen', Frisian, Saterlandic 'jöälje', Dutch 'juilen'.

Verbs referencing "joelen"

Dutch jolen.

Additional Information