jukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jukkend
Past participle - Verleden deelwoord: gejukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjuk
jijjukt
hijjukt
wijjukken
julliejukken
zijjukken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejukt
jijhebt gejukt
hijheeft gejukt
wijhebben gejukt
julliehebben gejukt
zijhebben gejukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjukte
jijjukte
hijjukte
wijjukten
julliejukten
zijjukten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejukt
jijhad gejukt
hijhad gejukt
wijhadden gejukt
julliehadden gejukt
zijhadden gejukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jukken
jijzult jukken
hijzal jukken
wijzullen jukken
julliezullen jukken
zijzullen jukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejukt hebben
jijzult gejukt hebben
hijzal gejukt hebben
wijzullen gejukt hebben
julliezullen gejukt hebben
zijzullen gejukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jukken
jijzou jukken
hijzou jukken
wijzouden jukken
julliezouden jukken
zijzouden jukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejukt hebben
jijzou gejukt hebben
hijzou gejukt hebben
wijzouden gejukt hebben
julliezouden gejukt hebben
zijzouden gejukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjuk

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information