biologeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of biologeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: biologeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: biologerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebiologeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbiologeer
jijbiologeert
hijbiologeert
wijbiologeren
julliebiologeren
zijbiologeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebiologeerd
jijhebt gebiologeerd
hijheeft gebiologeerd
wijhebben gebiologeerd
julliehebben gebiologeerd
zijhebben gebiologeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbiologeerde
jijbiologeerde
hijbiologeerde
wijbiologeerden
julliebiologeerden
zijbiologeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebiologeerd
jijhad gebiologeerd
hijhad gebiologeerd
wijhadden gebiologeerd
julliehadden gebiologeerd
zijhadden gebiologeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal biologeren
jijzult biologeren
hijzal biologeren
wijzullen biologeren
julliezullen biologeren
zijzullen biologeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebiologeerd hebben
jijzult gebiologeerd hebben
hijzal gebiologeerd hebben
wijzullen gebiologeerd hebben
julliezullen gebiologeerd hebben
zijzullen gebiologeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou biologeren
jijzou biologeren
hijzou biologeren
wijzouden biologeren
julliezouden biologeren
zijzouden biologeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebiologeerd hebben
jijzou gebiologeerd hebben
hijzou gebiologeerd hebben
wijzouden gebiologeerd hebben
julliezouden gebiologeerd hebben
zijzouden gebiologeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbiologeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

fascineren
betoveren, boeien

Sample Sentences

Etymology

Additional Information