bevloeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bevloeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bevloeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevloerend
Past participle - Verleden deelwoord: bevloerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbevloer
jijbevloert
hijbevloert
wijbevloeren
julliebevloeren
zijbevloeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bevloerd
jijhebt bevloerd
hijheeft bevloerd
wijhebben bevloerd
julliehebben bevloerd
zijhebben bevloerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbevloerde
jijbevloerde
hijbevloerde
wijbevloerden
julliebevloerden
zijbevloerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bevloerd
jijhad bevloerd
hijhad bevloerd
wijhadden bevloerd
julliehadden bevloerd
zijhadden bevloerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bevloeren
jijzult bevloeren
hijzal bevloeren
wijzullen bevloeren
julliezullen bevloeren
zijzullen bevloeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bevloerd hebben
jijzult bevloerd hebben
hijzal bevloerd hebben
wijzullen bevloerd hebben
julliezullen bevloerd hebben
zijzullen bevloerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bevloeren
jijzou bevloeren
hijzou bevloeren
wijzouden bevloeren
julliezouden bevloeren
zijzouden bevloeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bevloerd hebben
jijzou bevloerd hebben
hijzou bevloerd hebben
wijzouden bevloerd hebben
julliezouden bevloerd hebben
zijzouden bevloerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbevloer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information