bijleveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bijleveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bijleveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijleverend
Past participle - Verleden deelwoord: bijgeleverd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklever bij
jijlevert bij
hijlevert bij
wijleveren bij
jullieleveren bij
zijleveren bij

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bijgeleverd
jijhebt bijgeleverd
hijheeft bijgeleverd
wijhebben bijgeleverd
julliehebben bijgeleverd
zijhebben bijgeleverd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleverde bij
jijleverde bij
hijleverde bij
wijleverden bij
jullieleverden bij
zijleverden bij

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bijgeleverd
jijhad bijgeleverd
hijhad bijgeleverd
wijhadden bijgeleverd
julliehadden bijgeleverd
zijhadden bijgeleverd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bijleveren
jijzult bijleveren
hijzal bijleveren
wijzullen bijleveren
julliezullen bijleveren
zijzullen bijleveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bijgeleverd hebben
jijzult bijgeleverd hebben
hijzal bijgeleverd hebben
wijzullen bijgeleverd hebben
julliezullen bijgeleverd hebben
zijzullen bijgeleverd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bijleveren
jijzou bijleveren
hijzou bijleveren
wijzouden bijleveren
julliezouden bijleveren
zijzouden bijleveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bijgeleverd hebben
jijzou bijgeleverd hebben
hijzou bijgeleverd hebben
wijzouden bijgeleverd hebben
julliezouden bijgeleverd hebben
zijzouden bijgeleverd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlever bij

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information