homologeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of homologeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: homologeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: homologerend
Past participle - Verleden deelwoord: gehomologeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhomologeer
jijhomologeert
hijhomologeert
wijhomologeren
julliehomologeren
zijhomologeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehomologeerd
jijhebt gehomologeerd
hijheeft gehomologeerd
wijhebben gehomologeerd
julliehebben gehomologeerd
zijhebben gehomologeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhomologeerde
jijhomologeerde
hijhomologeerde
wijhomologeerden
julliehomologeerden
zijhomologeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehomologeerd
jijhad gehomologeerd
hijhad gehomologeerd
wijhadden gehomologeerd
julliehadden gehomologeerd
zijhadden gehomologeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal homologeren
jijzult homologeren
hijzal homologeren
wijzullen homologeren
julliezullen homologeren
zijzullen homologeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehomologeerd hebben
jijzult gehomologeerd hebben
hijzal gehomologeerd hebben
wijzullen gehomologeerd hebben
julliezullen gehomologeerd hebben
zijzullen gehomologeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou homologeren
jijzou homologeren
hijzou homologeren
wijzouden homologeren
julliezouden homologeren
zijzouden homologeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehomologeerd hebben
jijzou gehomologeerd hebben
hijzou gehomologeerd hebben
wijzouden gehomologeerd hebben
julliezouden gehomologeerd hebben
zijzouden gehomologeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhomologeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Latin homologāre. See: Latin 'homologō'.

Additional Information