afvaardigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afvaardigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afvaardigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afvaardigend
Past participle - Verleden deelwoord: afgevaardigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvaardig af
jijvaardigt af
hijvaardigt af
wijvaardigen af
jullievaardigen af
zijvaardigen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgevaardigd
jijhebt afgevaardigd
hijheeft afgevaardigd
wijhebben afgevaardigd
julliehebben afgevaardigd
zijhebben afgevaardigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvaardigde af
jijvaardigde af
hijvaardigde af
wijvaardigden af
jullievaardigden af
zijvaardigden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgevaardigd
jijhad afgevaardigd
hijhad afgevaardigd
wijhadden afgevaardigd
julliehadden afgevaardigd
zijhadden afgevaardigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afvaardigen
jijzult afvaardigen
hijzal afvaardigen
wijzullen afvaardigen
julliezullen afvaardigen
zijzullen afvaardigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgevaardigd hebben
jijzult afgevaardigd hebben
hijzal afgevaardigd hebben
wijzullen afgevaardigd hebben
julliezullen afgevaardigd hebben
zijzullen afgevaardigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afvaardigen
jijzou afvaardigen
hijzou afvaardigen
wijzouden afvaardigen
julliezouden afvaardigen
zijzouden afvaardigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgevaardigd hebben
jijzou afgevaardigd hebben
hijzou afgevaardigd hebben
wijzouden afgevaardigd hebben
julliezouden afgevaardigd hebben
zijzouden afgevaardigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvaardig af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

delegeren
zenden

Sample Sentences

Etymology

From af + vaardigen.

Additional Information