uitvaardigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitvaardigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitvaardigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitvaardigend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgevaardigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvaardig uit
jijvaardigt uit
hijvaardigt uit
wijvaardigen uit
jullievaardigen uit
zijvaardigen uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgevaardigd
jijhebt uitgevaardigd
hijheeft uitgevaardigd
wijhebben uitgevaardigd
julliehebben uitgevaardigd
zijhebben uitgevaardigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvaardigde uit
jijvaardigde uit
hijvaardigde uit
wijvaardigden uit
jullievaardigden uit
zijvaardigden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgevaardigd
jijhad uitgevaardigd
hijhad uitgevaardigd
wijhadden uitgevaardigd
julliehadden uitgevaardigd
zijhadden uitgevaardigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitvaardigen
jijzult uitvaardigen
hijzal uitvaardigen
wijzullen uitvaardigen
julliezullen uitvaardigen
zijzullen uitvaardigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgevaardigd hebben
jijzult uitgevaardigd hebben
hijzal uitgevaardigd hebben
wijzullen uitgevaardigd hebben
julliezullen uitgevaardigd hebben
zijzullen uitgevaardigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitvaardigen
jijzou uitvaardigen
hijzou uitvaardigen
wijzouden uitvaardigen
julliezouden uitvaardigen
zijzouden uitvaardigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgevaardigd hebben
jijzou uitgevaardigd hebben
hijzou uitgevaardigd hebben
wijzouden uitgevaardigd hebben
julliezouden uitgevaardigd hebben
zijzouden uitgevaardigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvaardig uit

Translations

  • promulgate, to put into effect as a regulation
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afkondigen
    bekendmaken

    Sample Sentences

    Etymology

    From uit + vaardig + -en.

    Additional Information