afnaaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afnaaien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afnaaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afnaaiend
Past participle - Verleden deelwoord: afgenaaid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknaai af
jijnaait af
hijnaait af
wijnaaien af
jullienaaien af
zijnaaien af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgenaaid
jijhebt afgenaaid
hijheeft afgenaaid
wijhebben afgenaaid
julliehebben afgenaaid
zijhebben afgenaaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknaaide af
jijnaaide af
hijnaaide af
wijnaaiden af
jullienaaiden af
zijnaaiden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgenaaid
jijhad afgenaaid
hijhad afgenaaid
wijhadden afgenaaid
julliehadden afgenaaid
zijhadden afgenaaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afnaaien
jijzult afnaaien
hijzal afnaaien
wijzullen afnaaien
julliezullen afnaaien
zijzullen afnaaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgenaaid hebben
jijzult afgenaaid hebben
hijzal afgenaaid hebben
wijzullen afgenaaid hebben
julliezullen afgenaaid hebben
zijzullen afgenaaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afnaaien
jijzou afnaaien
hijzou afnaaien
wijzouden afnaaien
julliezouden afnaaien
zijzouden afnaaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgenaaid hebben
jijzou afgenaaid hebben
hijzou afgenaaid hebben
wijzouden afgenaaid hebben
julliezouden afgenaaid hebben
zijzouden afgenaaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnaai af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of af + naaien.

Additional Information