afkondigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afkondigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afkondigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afkondigend
Past participle - Verleden deelwoord: afgekondigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkondig af
jijkondigt af
hijkondigt af
wijkondigen af
julliekondigen af
zijkondigen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgekondigd
jijhebt afgekondigd
hijheeft afgekondigd
wijhebben afgekondigd
julliehebben afgekondigd
zijhebben afgekondigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkondigde af
jijkondigde af
hijkondigde af
wijkondigden af
julliekondigden af
zijkondigden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgekondigd
jijhad afgekondigd
hijhad afgekondigd
wijhadden afgekondigd
julliehadden afgekondigd
zijhadden afgekondigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afkondigen
jijzult afkondigen
hijzal afkondigen
wijzullen afkondigen
julliezullen afkondigen
zijzullen afkondigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgekondigd hebben
jijzult afgekondigd hebben
hijzal afgekondigd hebben
wijzullen afgekondigd hebben
julliezullen afgekondigd hebben
zijzullen afgekondigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afkondigen
jijzou afkondigen
hijzou afkondigen
wijzouden afkondigen
julliezouden afkondigen
zijzouden afkondigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgekondigd hebben
jijzou afgekondigd hebben
hijzou afgekondigd hebben
wijzouden afgekondigd hebben
julliezouden afgekondigd hebben
zijzouden afgekondigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkondig af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afroepen
bekendmaken, decreteren, proclameren, uitroepen

Sample Sentences

Etymology

From af + kondigen.

Additional Information