Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aangeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aangevend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeven
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | geef aan |
| jij | geeft aan |
| hij | geeft aan |
| wij | geven aan |
| jullie | geven aan |
| zij | geven aan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangeven |
| jij | hebt aangeven |
| hij | heeft aangeven |
| wij | hebben aangeven |
| jullie | hebben aangeven |
| zij | hebben aangeven |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | gaf aan |
| jij | gaf aan |
| hij | gaf aan |
| wij | gaven aan |
| jullie | gaven aan |
| zij | gaven aan |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangeven |
| jij | had aangeven |
| hij | had aangeven |
| wij | hadden aangeven |
| jullie | hadden aangeven |
| zij | hadden aangeven |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aangeven |
| jij | zult aangeven |
| hij | zal aangeven |
| wij | zullen aangeven |
| jullie | zullen aangeven |
| zij | zullen aangeven |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangeven hebben |
| jij | zult aangeven hebben |
| hij | zal aangeven hebben |
| wij | zullen aangeven hebben |
| jullie | zullen aangeven hebben |
| zij | zullen aangeven hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aangeven |
| jij | zou aangeven |
| hij | zou aangeven |
| wij | zouden aangeven |
| jullie | zouden aangeven |
| zij | zouden aangeven |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangeven hebben |
| jij | zou aangeven hebben |
| hij | zou aangeven hebben |
| wij | zouden aangeven hebben |
| jullie | zouden aangeven hebben |
| zij | zouden aangeven hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aangeven'
aangeven,
achternageven,
begeven,
geven,
ingeven,
misgeven,
omgeven,
opgeven,
overgeven,
teruggeven,
uitgeven,
vergeven,
voorgeven,
weergeven,
Verbs similar to 'aangeven'
aanberen,
aangieren,
aanhelen,
aankerven,
aanleren,
aanmeren,
aannemen,
aantelen,
aanvegen,
aanwerven,
Translations
declare, To make outstanding debts, e.g. taxes, payable.
denote, to indicate, mark
indicate, to show or manifest by symptoms
indicate, to signal in a vehicle the desire to turn right or left
Sample Sentences
-
Kun je me het zout aangeven? (Can you hand me the salt?)
-
Ze gaf hem het document aan. (She passed him the document.)
-
Ik zal je de sleutels aangeven als je klaar bent. (I'll hand you the keys when you're ready.)
-
Kun je aangeven waar het postkantoor is? (Can you point out where the post office is?)
-
De gids gaf de historische sites aan tijdens de rondleiding. (The guide indicated the historical sites during the tour.)
-
De kaart geeft de locatie van het hotel aan. (The map indicates the location of the hotel.)
-
Je moet je inkomen aangeven bij de belastingdienst. (You have to declare your income to the tax authorities.)
-
Ze gaf het gestolen item aan bij de politie. (She reported the stolen item to the police.)
-
De kapitein gaf het ongeluk onmiddellijk aan. (The captain notified of the accident immediately.)
-
Kun je aangeven hoe je je voelt? (Can you express how you feel?)
-
De directeur gaf zijn visie aan tijdens de vergadering. (The director stated his vision during the meeting.)
-
Hij gaf duidelijk aan dat hij niet blij was met het resultaat. (He indicated clearly that he was not happy with the result.)
Etymology
From Middle Dutch aengeven. Equivalent to aan + geven.
Additional Information