weergeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of weergeven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: weergeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weergevend
Past participle - Verleden deelwoord: weergegeven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeef weer
jijgeeft weer
hijgeeft weer
wijgeven weer
julliegeven weer
zijgeven weer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weergegeven
jijhebt weergegeven
hijheeft weergegeven
wijhebben weergegeven
julliehebben weergegeven
zijhebben weergegeven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgaf weer
jijgaf weer
hijgaf weer
wijgaven weer
julliegaven weer
zijgaven weer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weergegeven
jijhad weergegeven
hijhad weergegeven
wijhadden weergegeven
julliehadden weergegeven
zijhadden weergegeven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal weergeven
jijzult weergeven
hijzal weergeven
wijzullen weergeven
julliezullen weergeven
zijzullen weergeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weergegeven hebben
jijzult weergegeven hebben
hijzal weergegeven hebben
wijzullen weergegeven hebben
julliezullen weergegeven hebben
zijzullen weergegeven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou weergeven
jijzou weergeven
hijzou weergeven
wijzouden weergeven
julliezouden weergeven
zijzouden weergeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weergegeven hebben
jijzou weergegeven hebben
hijzou weergegeven hebben
wijzouden weergegeven hebben
julliezouden weergegeven hebben
zijzouden weergegeven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeef weer

Translations

  • render, to transform digital information in the form received from a repository into a display on a computer screen, or for other presentation to the user
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From weer (“back”) + geven (“give”).

    Additional Information