uitslapen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitslapen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitslapen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitslapend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgeslapen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikslaap uit
jijslaapt uit
hijslaapt uit
wijslapen uit
jullieslapen uit
zijslapen uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgeslapen
jijhebt uitgeslapen
hijheeft uitgeslapen
wijhebben uitgeslapen
julliehebben uitgeslapen
zijhebben uitgeslapen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksliep uit
jijsliep uit
hijsliep uit
wijsliepen uit
julliesliepen uit
zijsliepen uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgeslapen
jijhad uitgeslapen
hijhad uitgeslapen
wijhadden uitgeslapen
julliehadden uitgeslapen
zijhadden uitgeslapen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitslapen
jijzult uitslapen
hijzal uitslapen
wijzullen uitslapen
julliezullen uitslapen
zijzullen uitslapen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgeslapen hebben
jijzult uitgeslapen hebben
hijzal uitgeslapen hebben
wijzullen uitgeslapen hebben
julliezullen uitgeslapen hebben
zijzullen uitgeslapen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitslapen
jijzou uitslapen
hijzou uitslapen
wijzouden uitslapen
julliezouden uitslapen
zijzouden uitslapen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgeslapen hebben
jijzou uitgeslapen hebben
hijzou uitgeslapen hebben
wijzouden uitgeslapen hebben
julliezouden uitgeslapen hebben
zijzouden uitgeslapen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijslaap uit

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From uit + slapen.

Additional Information