Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: stoppen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stoppend
Past participle - Verleden deelwoord: gestopt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | stop |
| jij | stopt |
| hij | stopt |
| wij | stoppen |
| jullie | stoppen |
| zij | stoppen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gestopt |
| jij | hebt gestopt |
| hij | heeft gestopt |
| wij | hebben gestopt |
| jullie | hebben gestopt |
| zij | hebben gestopt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | stopte |
| jij | stopte |
| hij | stopte |
| wij | stopten |
| jullie | stopten |
| zij | stopten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gestopt |
| jij | had gestopt |
| hij | had gestopt |
| wij | hadden gestopt |
| jullie | hadden gestopt |
| zij | hadden gestopt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal stoppen |
| jij | zult stoppen |
| hij | zal stoppen |
| wij | zullen stoppen |
| jullie | zullen stoppen |
| zij | zullen stoppen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gestopt hebben |
| jij | zult gestopt hebben |
| hij | zal gestopt hebben |
| wij | zullen gestopt hebben |
| jullie | zullen gestopt hebben |
| zij | zullen gestopt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou stoppen |
| jij | zou stoppen |
| hij | zou stoppen |
| wij | zouden stoppen |
| jullie | zouden stoppen |
| zij | zouden stoppen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gestopt hebben |
| jij | zou gestopt hebben |
| hij | zou gestopt hebben |
| wij | zouden gestopt hebben |
| jullie | zouden gestopt hebben |
| zij | zouden gestopt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'stoppen'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'stoppen'
stappen,
kloppen,
stoelen,
stomen,
storen,
storten,
stoten,
stoven,
dopen,
instappen,
Translations
abort, computing: to terminate a process prior to completion
arrest, to stop or slow a process etc.
bag, to put into a bag
cut, to cease recording
escape, to halt a program by pressing a combination of keys
stem, to stop, hinder
stop, to cease moving
stop, to not continue
stop, to cause to cease moving
stop, to cause to come to an end
stop, to stay a while
stop, to tarry
Sample Sentences
-
[...] voorgenomen reis streelde mij, zonder dat ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: " Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel vinden haar te gebruiken. "
(Robinson Crusoe)
-
[...] maakten, en met alle man de boot zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er kwam geene boot [...]
(Robinson Crusoe)
-
De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken, het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat zij tegen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch stoppen, from Old Dutch *stoppon, from Proto-West Germanic *stoppōn. Doublet of stofferen. See: Old Dutch '*stoppon'.
Verbs referencing "stoppen"
English
stop, German, old spelling
stoppen, Russian
штопать.
Additional Information