stoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stoelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stoelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstoel
jijstoelt
hijstoelt
wijstoelen
julliestoelen
zijstoelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestoeld
jijhebt gestoeld
hijheeft gestoeld
wijhebben gestoeld
julliehebben gestoeld
zijhebben gestoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstoelde
jijstoelde
hijstoelde
wijstoelden
julliestoelden
zijstoelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestoeld
jijhad gestoeld
hijhad gestoeld
wijhadden gestoeld
julliehadden gestoeld
zijhadden gestoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stoelen
jijzult stoelen
hijzal stoelen
wijzullen stoelen
julliezullen stoelen
zijzullen stoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestoeld hebben
jijzult gestoeld hebben
hijzal gestoeld hebben
wijzullen gestoeld hebben
julliezullen gestoeld hebben
zijzullen gestoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stoelen
jijzou stoelen
hijzou stoelen
wijzouden stoelen
julliezouden stoelen
zijzouden stoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestoeld hebben
jijzou gestoeld hebben
hijzou gestoeld hebben
wijzouden gestoeld hebben
julliezouden gestoeld hebben
zijzouden gestoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstoel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From stoel (“chair”) + -en.

Additional Information