schrokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schrokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schrokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schrokkend
Past participle - Verleden deelwoord: geschrokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschrok
jijschrokt
hijschrokt
wijschrokken
jullieschrokken
zijschrokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschrokt
jijhebt geschrokt
hijheeft geschrokt
wijhebben geschrokt
julliehebben geschrokt
zijhebben geschrokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschrokte
jijschrokte
hijschrokte
wijschrokten
jullieschrokten
zijschrokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschrokt
jijhad geschrokt
hijhad geschrokt
wijhadden geschrokt
julliehadden geschrokt
zijhadden geschrokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schrokken
jijzult schrokken
hijzal schrokken
wijzullen schrokken
julliezullen schrokken
zijzullen schrokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschrokt hebben
jijzult geschrokt hebben
hijzal geschrokt hebben
wijzullen geschrokt hebben
julliezullen geschrokt hebben
zijzullen geschrokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schrokken
jijzou schrokken
hijzou schrokken
wijzouden schrokken
julliezouden schrokken
zijzouden schrokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschrokt hebben
jijzou geschrokt hebben
hijzou geschrokt hebben
wijzouden geschrokt hebben
julliezouden geschrokt hebben
zijzouden geschrokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschrok

Translations

  • gorge, to stuff the gorge or gullet with food; to eat greedily
  • scoff, to eat food quickly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    buffelen
    eten, schransen, slokken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch schocken; the -r- may be due to the influence of schransen.

    Additional Information