schransen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schransen

The word "schransen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schransen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schransend
Past participle - Verleden deelwoord: geschranst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschrans
jijschranst
hijschranst
wijschransen
jullieschransen
zijschransen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschranst
jijhebt geschranst
hijheeft geschranst
wijhebben geschranst
julliehebben geschranst
zijhebben geschranst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschranste
jijschranste
hijschranste
wijschransten
jullieschransten
zijschransten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschranst
jijhad geschranst
hijhad geschranst
wijhadden geschranst
julliehadden geschranst
zijhadden geschranst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schransen
jijzult schransen
hijzal schransen
wijzullen schransen
julliezullen schransen
zijzullen schransen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschranst hebben
jijzult geschranst hebben
hijzal geschranst hebben
wijzullen geschranst hebben
julliezullen geschranst hebben
zijzullen geschranst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schransen
jijzou schransen
hijzou schransen
wijzouden schransen
julliezouden schransen
zijzouden schransen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschranst hebben
jijzou geschranst hebben
hijzou geschranst hebben
wijzouden geschranst hebben
julliezouden geschranst hebben
zijzouden geschranst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschrans

Verbs similar to 'schransen'

Translations

  • devour, to eat greedily
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information