Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: schikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schikkend
Past participle - Verleden deelwoord: geschikt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | schik |
| jij | schikt |
| hij | schikt |
| wij | schikken |
| jullie | schikken |
| zij | schikken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geschikt |
| jij | hebt geschikt |
| hij | heeft geschikt |
| wij | hebben geschikt |
| jullie | hebben geschikt |
| zij | hebben geschikt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | schikte |
| jij | schikte |
| hij | schikte |
| wij | schikten |
| jullie | schikten |
| zij | schikten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geschikt |
| jij | had geschikt |
| hij | had geschikt |
| wij | hadden geschikt |
| jullie | hadden geschikt |
| zij | hadden geschikt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal schikken |
| jij | zult schikken |
| hij | zal schikken |
| wij | zullen schikken |
| jullie | zullen schikken |
| zij | zullen schikken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geschikt hebben |
| jij | zult geschikt hebben |
| hij | zal geschikt hebben |
| wij | zullen geschikt hebben |
| jullie | zullen geschikt hebben |
| zij | zullen geschikt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou schikken |
| jij | zou schikken |
| hij | zou schikken |
| wij | zouden schikken |
| jullie | zouden schikken |
| zij | zouden schikken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geschikt hebben |
| jij | zou geschikt hebben |
| hij | zou geschikt hebben |
| wij | zouden geschikt hebben |
| jullie | zouden geschikt hebben |
| zij | zouden geschikt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'schikken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'schikken'
schrikken,
beschikken,
hikken,
schenken,
schieten,
schijnen,
schijten,
schillen,
schrokken,
slikken,
Translations
arrange, to put in order
Sample Sentences
-
[...] toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats te verlaten. Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik in een erger toestand zou geweest zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen.
(Robinson Crusoe)
-
Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een sterken tegenzin om [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch schicken. Further etymology unclear, found only in continental West Germanic. Cognates are Middle Low German schicken, German schicken. See: German, old spelling '
schicken'.
Verbs referencing "schikken"
Swedish
skicka, Luxembourgish
schécken.
Additional Information