ruiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ruiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ruiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ruikend
Past participle - Verleden deelwoord: geroken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikruik
jijruikt
hijruikt
wijruiken
jullieruiken
zijruiken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroken
jijhebt geroken
hijheeft geroken
wijhebben geroken
julliehebben geroken
zijhebben geroken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrook
jijrook
hijrook
wijroken
jullieroken
zijroken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroken
jijhad geroken
hijhad geroken
wijhadden geroken
julliehadden geroken
zijhadden geroken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ruiken
jijzult ruiken
hijzal ruiken
wijzullen ruiken
julliezullen ruiken
zijzullen ruiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroken hebben
jijzult geroken hebben
hijzal geroken hebben
wijzullen geroken hebben
julliezullen geroken hebben
zijzullen geroken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ruiken
jijzou ruiken
hijzou ruiken
wijzouden ruiken
julliezouden ruiken
zijzouden ruiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroken hebben
jijzou geroken hebben
hijzou geroken hebben
wijzouden geroken hebben
julliezouden geroken hebben
zijzouden geroken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijruik

Translations

  • scent, to detect the scent of
  • smell, sense with nose
  • smell, to have a particular smell, whether good or bad; if descriptive, followed by "like" or "of"
  • whiff, sniff
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    geuren
    stinken
    rieken
    zwemen
    inademen
    opsnuiven

    Antonyms

    inademen
    uitademen, expireren, uitblazen, zuchten

    Sample Sentences

    • De rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch ruken, from Old Dutch *rūcan, from Proto-West Germanic *reukan, from Proto-Germanic *reukaną. Doublet of rieken. See: Middle Dutch 'ruken', Proto-Germanic '*reukaną'.

    Verbs referencing "ruiken"

    English reek.

    Additional Information