sluipen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sluipen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sluipen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sluipend
Past participle - Verleden deelwoord: geslopen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksluip
jijsluipt
hijsluipt
wijsluipen
julliesluipen
zijsluipen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geslopen
jijhebt geslopen
hijheeft geslopen
wijhebben geslopen
julliehebben geslopen
zijhebben geslopen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloop
jijsloop
hijsloop
wijslopen
jullieslopen
zijslopen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geslopen
jijhad geslopen
hijhad geslopen
wijhadden geslopen
julliehadden geslopen
zijhadden geslopen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sluipen
jijzult sluipen
hijzal sluipen
wijzullen sluipen
julliezullen sluipen
zijzullen sluipen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geslopen hebben
jijzult geslopen hebben
hijzal geslopen hebben
wijzullen geslopen hebben
julliezullen geslopen hebben
zijzullen geslopen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sluipen
jijzou sluipen
hijzou sluipen
wijzouden sluipen
julliezouden sluipen
zijzouden sluipen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geslopen hebben
jijzou geslopen hebben
hijzou geslopen hebben
wijzouden geslopen hebben
julliezouden geslopen hebben
zijzouden geslopen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsluip

Translations

  • pussyfoot, to move silently
  • slink, sneak about furtively
  • slope, to try to move surreptitiously
  • sneak, to creep
  • steal, to move silently
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    glijden
    glippen, kruipen

    Sample Sentences

    • [...] met te zien of ik ook op eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij op eene of andere wijze van nut kon zijn. (Robinson Crusoe)
    • Thans begreep ik, dat het tijdstip onzer bevrijding naderde, en dat het gemakkelijk zou zijn, deze knapen tot een aanslag op het schip over te halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als voren [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch slupen, from Old Dutch slūpan, from Proto-West Germanic *sleupan, from Proto-Germanic *sleupaną. See: Proto-Germanic '*sleupaną'.

    Additional Information