ruilen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ruilen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ruilen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ruilend
Past participle - Verleden deelwoord: geruild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikruil
jijruilt
hijruilt
wijruilen
jullieruilen
zijruilen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geruild
jijhebt geruild
hijheeft geruild
wijhebben geruild
julliehebben geruild
zijhebben geruild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikruilde
jijruilde
hijruilde
wijruilden
jullieruilden
zijruilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geruild
jijhad geruild
hijhad geruild
wijhadden geruild
julliehadden geruild
zijhadden geruild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ruilen
jijzult ruilen
hijzal ruilen
wijzullen ruilen
julliezullen ruilen
zijzullen ruilen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geruild hebben
jijzult geruild hebben
hijzal geruild hebben
wijzullen geruild hebben
julliezullen geruild hebben
zijzullen geruild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ruilen
jijzou ruilen
hijzou ruilen
wijzouden ruilen
julliezouden ruilen
zijzouden ruilen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geruild hebben
jijzou geruild hebben
hijzou geruild hebben
wijzouden geruild hebben
julliezouden geruild hebben
zijzouden geruild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijruil

Translations

  • barter, exchange goods or services without involving money
  • exchange, To replace with a similar item
  • swap, exchange or give (something) in exchange for
  • trade, to give in exchange
  • troak, exchange goods or services without involving money
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    inwisselen
    omzetten, verwisselen

    Sample Sentences

    • [...] werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten dienste van dit land. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From earlier ruylen, roylen, roelen, reulen, of uncertain origin. Compare West Frisian roalje, ruilje, German Low German reilen, rülen.

    Additional Information