reduceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reduceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reduceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reducerend
Past participle - Verleden deelwoord: gereduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreduceer
jijreduceert
hijreduceert
wijreduceren
julliereduceren
zijreduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereduceerd
jijhebt gereduceerd
hijheeft gereduceerd
wijhebben gereduceerd
julliehebben gereduceerd
zijhebben gereduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreduceerde
jijreduceerde
hijreduceerde
wijreduceerden
julliereduceerden
zijreduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereduceerd
jijhad gereduceerd
hijhad gereduceerd
wijhadden gereduceerd
julliehadden gereduceerd
zijhadden gereduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reduceren
jijzult reduceren
hijzal reduceren
wijzullen reduceren
julliezullen reduceren
zijzullen reduceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereduceerd hebben
jijzult gereduceerd hebben
hijzal gereduceerd hebben
wijzullen gereduceerd hebben
julliezullen gereduceerd hebben
zijzullen gereduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reduceren
jijzou reduceren
hijzou reduceren
wijzouden reduceren
julliezouden reduceren
zijzouden reduceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereduceerd hebben
jijzou gereduceerd hebben
hijzou gereduceerd hebben
wijzouden gereduceerd hebben
julliezouden gereduceerd hebben
zijzouden gereduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreduceer

Translations

  • reduce, to bring down
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beperken
    terugbrengen, verminderen
    herleiden
    omrekenen, terugvoeren

    Antonyms

    beperken
    verruimen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Latin redūcō + -eren.

    Additional Information