obduceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of obduceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: obduceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: obducerend
Past participle - Verleden deelwoord: geobduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikobduceer
jijobduceert
hijobduceert
wijobduceren
jullieobduceren
zijobduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geobduceerd
jijhebt geobduceerd
hijheeft geobduceerd
wijhebben geobduceerd
julliehebben geobduceerd
zijhebben geobduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikobduceerde
jijobduceerde
hijobduceerde
wijobduceerden
jullieobduceerden
zijobduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geobduceerd
jijhad geobduceerd
hijhad geobduceerd
wijhadden geobduceerd
julliehadden geobduceerd
zijhadden geobduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal obduceren
jijzult obduceren
hijzal obduceren
wijzullen obduceren
julliezullen obduceren
zijzullen obduceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geobduceerd hebben
jijzult geobduceerd hebben
hijzal geobduceerd hebben
wijzullen geobduceerd hebben
julliezullen geobduceerd hebben
zijzullen geobduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou obduceren
jijzou obduceren
hijzou obduceren
wijzouden obduceren
julliezouden obduceren
zijzouden obduceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geobduceerd hebben
jijzou geobduceerd hebben
hijzou geobduceerd hebben
wijzouden geobduceerd hebben
julliezouden geobduceerd hebben
zijzouden geobduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijobduceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information