produceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of produceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: produceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: producerend
Past participle - Verleden deelwoord: geproduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikproduceer
jijproduceert
hijproduceert
wijproduceren
jullieproduceren
zijproduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geproduceerd
jijhebt geproduceerd
hijheeft geproduceerd
wijhebben geproduceerd
julliehebben geproduceerd
zijhebben geproduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikproduceerde
jijproduceerde
hijproduceerde
wijproduceerden
jullieproduceerden
zijproduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geproduceerd
jijhad geproduceerd
hijhad geproduceerd
wijhadden geproduceerd
julliehadden geproduceerd
zijhadden geproduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal produceren
jijzult produceren
hijzal produceren
wijzullen produceren
julliezullen produceren
zijzullen produceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geproduceerd hebben
jijzult geproduceerd hebben
hijzal geproduceerd hebben
wijzullen geproduceerd hebben
julliezullen geproduceerd hebben
zijzullen geproduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou produceren
jijzou produceren
hijzou produceren
wijzouden produceren
julliezouden produceren
zijzouden produceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geproduceerd hebben
jijzou geproduceerd hebben
hijzou geproduceerd hebben
wijzouden geproduceerd hebben
julliezouden geproduceerd hebben
zijzouden geproduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijproduceer

Translations

  • output, produce or create
  • produce, to make or manufacture
  • produce, to sponsor and present (a motion picture, etc)
  • utter, put counterfeit money etc. into circulation
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    fabriceren
    maken, opleveren, vervaardigen, voortbrengen
    overleggen
    tonen

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin prōdūcere. See: Latin 'prōdūcō'.

    Additional Information