induceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of induceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: induceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inducerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinduceer
jijinduceert
hijinduceert
wijinduceren
jullieinduceren
zijinduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnduceerd
jijhebt geïnduceerd
hijheeft geïnduceerd
wijhebben geïnduceerd
julliehebben geïnduceerd
zijhebben geïnduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinduceerde
jijinduceerde
hijinduceerde
wijinduceerden
jullieinduceerden
zijinduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnduceerd
jijhad geïnduceerd
hijhad geïnduceerd
wijhadden geïnduceerd
julliehadden geïnduceerd
zijhadden geïnduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal induceren
jijzult induceren
hijzal induceren
wijzullen induceren
julliezullen induceren
zijzullen induceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnduceerd hebben
jijzult geïnduceerd hebben
hijzal geïnduceerd hebben
wijzullen geïnduceerd hebben
julliezullen geïnduceerd hebben
zijzullen geïnduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou induceren
jijzou induceren
hijzou induceren
wijzouden induceren
julliezouden induceren
zijzouden induceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnduceerd hebben
jijzou geïnduceerd hebben
hijzou geïnduceerd hebben
wijzouden geïnduceerd hebben
julliezouden geïnduceerd hebben
zijzouden geïnduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinduceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information