verruimen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verruimen

The word "verruimen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verruimen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verruimend
Past participle - Verleden deelwoord: verruimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverruim
jijverruimt
hijverruimt
wijverruimen
jullieverruimen
zijverruimen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verruimd
jijhebt verruimd
hijheeft verruimd
wijhebben verruimd
julliehebben verruimd
zijhebben verruimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverruimde
jijverruimde
hijverruimde
wijverruimden
jullieverruimden
zijverruimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verruimd
jijhad verruimd
hijhad verruimd
wijhadden verruimd
julliehadden verruimd
zijhadden verruimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verruimen
jijzult verruimen
hijzal verruimen
wijzullen verruimen
julliezullen verruimen
zijzullen verruimen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verruimd hebben
jijzult verruimd hebben
hijzal verruimd hebben
wijzullen verruimd hebben
julliezullen verruimd hebben
zijzullen verruimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verruimen
jijzou verruimen
hijzou verruimen
wijzouden verruimen
julliezouden verruimen
zijzouden verruimen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verruimd hebben
jijzou verruimd hebben
hijzou verruimd hebben
wijzouden verruimd hebben
julliezouden verruimd hebben
zijzouden verruimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverruim

Translations

  • broaden, to make broad
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Hij gebruikte een boor om het gat wat te verruimen. (He used a drill to broaden the hole a bit.)

    Etymology

    From ver- + ruimen.

    Additional Information