adduceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of adduceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: adduceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: adducerend
Past participle - Verleden deelwoord: geadduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikadduceer
jijadduceert
hijadduceert
wijadduceren
jullieadduceren
zijadduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geadduceerd
jijhebt geadduceerd
hijheeft geadduceerd
wijhebben geadduceerd
julliehebben geadduceerd
zijhebben geadduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikadduceerde
jijadduceerde
hijadduceerde
wijadduceerden
jullieadduceerden
zijadduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geadduceerd
jijhad geadduceerd
hijhad geadduceerd
wijhadden geadduceerd
julliehadden geadduceerd
zijhadden geadduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal adduceren
jijzult adduceren
hijzal adduceren
wijzullen adduceren
julliezullen adduceren
zijzullen adduceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geadduceerd hebben
jijzult geadduceerd hebben
hijzal geadduceerd hebben
wijzullen geadduceerd hebben
julliezullen geadduceerd hebben
zijzullen geadduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou adduceren
jijzou adduceren
hijzou adduceren
wijzouden adduceren
julliezouden adduceren
zijzouden adduceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geadduceerd hebben
jijzou geadduceerd hebben
hijzou geadduceerd hebben
wijzouden geadduceerd hebben
julliezouden geadduceerd hebben
zijzouden geadduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijadduceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Coordinate term: circumduceren

Etymology

Borrowed from Latin addūcere. See: Latin 'addūcō'.

Additional Information