maffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of maffen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: maffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: maffend
Past participle - Verleden deelwoord: gemaft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaf
jijmaft
hijmaft
wijmaffen
julliemaffen
zijmaffen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemaft
jijhebt gemaft
hijheeft gemaft
wijhebben gemaft
julliehebben gemaft
zijhebben gemaft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmafte
jijmafte
hijmafte
wijmaften
julliemaften
zijmaften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemaft
jijhad gemaft
hijhad gemaft
wijhadden gemaft
julliehadden gemaft
zijhadden gemaft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal maffen
jijzult maffen
hijzal maffen
wijzullen maffen
julliezullen maffen
zijzullen maffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemaft hebben
jijzult gemaft hebben
hijzal gemaft hebben
wijzullen gemaft hebben
julliezullen gemaft hebben
zijzullen gemaft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou maffen
jijzou maffen
hijzou maffen
wijzouden maffen
julliezouden maffen
zijzouden maffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemaft hebben
jijzou gemaft hebben
hijzou gemaft hebben
wijzouden gemaft hebben
julliezouden gemaft hebben
zijzouden gemaft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaf

Translations

  • kip, to sleep, in a temporary, charitable, or necessary situation
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    pitten
    slapen, suffen
    slapen
    doezelen, dommelen, dutten, pitten, rusten, sluimeren, snurken, soezen

    Antonyms

    slapen
    waken

    Sample Sentences

    Etymology

    From maf (“dull, tired, drowsy”) + -en.

    Additional Information