doezelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doezelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doezelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doezelend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoezeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoezel
jijdoezelt
hijdoezelt
wijdoezelen
julliedoezelen
zijdoezelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoezeld
jijhebt gedoezeld
hijheeft gedoezeld
wijhebben gedoezeld
julliehebben gedoezeld
zijhebben gedoezeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoezelde
jijdoezelde
hijdoezelde
wijdoezelden
julliedoezelden
zijdoezelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoezeld
jijhad gedoezeld
hijhad gedoezeld
wijhadden gedoezeld
julliehadden gedoezeld
zijhadden gedoezeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doezelen
jijzult doezelen
hijzal doezelen
wijzullen doezelen
julliezullen doezelen
zijzullen doezelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoezeld hebben
jijzult gedoezeld hebben
hijzal gedoezeld hebben
wijzullen gedoezeld hebben
julliezullen gedoezeld hebben
zijzullen gedoezeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doezelen
jijzou doezelen
hijzou doezelen
wijzouden doezelen
julliezouden doezelen
zijzouden doezelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoezeld hebben
jijzou gedoezeld hebben
hijzou gedoezeld hebben
wijzouden gedoezeld hebben
julliezouden gedoezeld hebben
zijzouden gedoezeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoezel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

dommelen
dutten, soezen, suffen
slapen
dommelen, dutten, maffen, pitten, rusten, sluimeren, snurken, soezen

Antonyms

slapen
waken

Sample Sentences

Etymology

From doezen + -elen.

Verbs referencing "doezelen"

English doze.

Additional Information