keffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of keffen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: keffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: keffend
Past participle - Verleden deelwoord: gekeft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkef
jijkeft
hijkeft
wijkeffen
julliekeffen
zijkeffen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekeft
jijhebt gekeft
hijheeft gekeft
wijhebben gekeft
julliehebben gekeft
zijhebben gekeft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkefte
jijkefte
hijkefte
wijkeften
julliekeften
zijkeften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekeft
jijhad gekeft
hijhad gekeft
wijhadden gekeft
julliehadden gekeft
zijhadden gekeft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal keffen
jijzult keffen
hijzal keffen
wijzullen keffen
julliezullen keffen
zijzullen keffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekeft hebben
jijzult gekeft hebben
hijzal gekeft hebben
wijzullen gekeft hebben
julliezullen gekeft hebben
zijzullen gekeft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou keffen
jijzou keffen
hijzou keffen
wijzouden keffen
julliezouden keffen
zijzouden keffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekeft hebben
jijzou gekeft hebben
hijzou gekeft hebben
wijzouden gekeft hebben
julliezouden gekeft hebben
zijzouden gekeft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkef

Translations

  • yap, of a small dog, to bark
  • yip, sound a small dog makes
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Of imitative origin.

    Additional Information