huwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of huwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: huwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: huwend
Past participle - Verleden deelwoord: gehuwd

Cognates

See the 2 cognates of huwen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhuw
jijhuwt
hijhuwt
wijhuwen
julliehuwen
zijhuwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben gehuwd
jijbent gehuwd
hijis gehuwd
wijzijn gehuwd
julliezijn gehuwd
zijzijn gehuwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhuwde
jijhuwde
hijhuwde
wijhuwden
julliehuwden
zijhuwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas gehuwd
jijwas gehuwd
hijwas gehuwd
wijwaren gehuwd
julliewaren gehuwd
zijwaren gehuwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal huwen
jijzult huwen
hijzal huwen
wijzullen huwen
julliezullen huwen
zijzullen huwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehuwd zijn
jijzult gehuwd zijn
hijzal gehuwd zijn
wijzullen gehuwd zijn
julliezullen gehuwd zijn
zijzullen gehuwd zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou huwen
jijzou huwen
hijzou huwen
wijzouden huwen
julliezouden huwen
zijzouden huwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehuwd zijn
jijzou gehuwd zijn
hijzou gehuwd zijn
wijzouden gehuwd zijn
julliezouden gehuwd zijn
zijzouden gehuwd zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijhuw

Translations

  • marry, to take a husband or wife
  • marry, to be joined in marriage
  • marry, to unite in wedlock
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch huwen, from Old Dutch *hīwen, from Proto-Germanic *hīwijaną, related to *hīwą (“marriage”). See: Middle Dutch 'huwen'.

    Verbs referencing "huwen"

    Luxembourgish geheien, German, old spelling hecheln.

    Additional Information