dauwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dauwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dauwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dauwend
Past participle - Verleden deelwoord: gedauwd

Cognates

See the 2 cognates of dauwen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijdauwt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gedauwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijdauwde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gedauwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal dauwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gedauwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou dauwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gedauwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "dauwen"

English dew, Frisian, Saterlandic daue.

Additional Information