Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: beleggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beleggend
Past participle - Verleden deelwoord: belegd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | beleg |
| jij | belegt |
| hij | belegt |
| wij | beleggen |
| jullie | beleggen |
| zij | beleggen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb belegd |
| jij | hebt belegd |
| hij | heeft belegd |
| wij | hebben belegd |
| jullie | hebben belegd |
| zij | hebben belegd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | belegde |
| jij | belegde |
| hij | belegde |
| wij | belegden |
| jullie | belegden |
| zij | belegden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had belegd |
| jij | had belegd |
| hij | had belegd |
| wij | hadden belegd |
| jullie | hadden belegd |
| zij | hadden belegd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal beleggen |
| jij | zult beleggen |
| hij | zal beleggen |
| wij | zullen beleggen |
| jullie | zullen beleggen |
| zij | zullen beleggen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal belegd hebben |
| jij | zult belegd hebben |
| hij | zal belegd hebben |
| wij | zullen belegd hebben |
| jullie | zullen belegd hebben |
| zij | zullen belegd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou beleggen |
| jij | zou beleggen |
| hij | zou beleggen |
| wij | zouden beleggen |
| jullie | zouden beleggen |
| zij | zouden beleggen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou belegd hebben |
| jij | zou belegd hebben |
| hij | zou belegd hebben |
| wij | zouden belegd hebben |
| jullie | zouden belegd hebben |
| zij | zouden belegd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'beleggen'
aanballen,
aanbellen,
aanbollen,
aanbrullen,
aaneenwellen,
aanleggen,
aanrollen,
aanschellen,
aanstellen,
aantellen,
aantillen,
aanvollen,
aanvullen,
aanwellen,
aanwennen,
achternahollen,
achterstellen,
afbellen,
afgillen,
afhollen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'beleggen'
afleggen,
beledigen,
belegeren,
beleren,
beletten,
beleven,
bewegen,
leggen,
aanleggen,
afzeggen,
Translations
Sample Sentences
-
[...] het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik eene geschikte plaats uit, tegen eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden.
(Robinson Crusoe)
-
[...] hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant waren. Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch beleggen. Equivalent to be- + leggen.
Verbs referencing "beleggen"
English
belay, Swedish
belägga, Danish
belægge.
Additional Information