beleggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beleggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beleggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beleggend
Past participle - Verleden deelwoord: belegd

Cognates

See the 4 cognates of beleggen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeleg
jijbelegt
hijbelegt
wijbeleggen
julliebeleggen
zijbeleggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb belegd
jijhebt belegd
hijheeft belegd
wijhebben belegd
julliehebben belegd
zijhebben belegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelegde
jijbelegde
hijbelegde
wijbelegden
julliebelegden
zijbelegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad belegd
jijhad belegd
hijhad belegd
wijhadden belegd
julliehadden belegd
zijhadden belegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beleggen
jijzult beleggen
hijzal beleggen
wijzullen beleggen
julliezullen beleggen
zijzullen beleggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal belegd hebben
jijzult belegd hebben
hijzal belegd hebben
wijzullen belegd hebben
julliezullen belegd hebben
zijzullen belegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beleggen
jijzou beleggen
hijzou beleggen
wijzouden beleggen
julliezouden beleggen
zijzouden beleggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou belegd hebben
jijzou belegd hebben
hijzou belegd hebben
wijzouden belegd hebben
julliezouden belegd hebben
zijzouden belegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeleg

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

investeren
uitzetten
bijeenroepen
houden, organiseren
bedekken
bekleden, besmeren

Sample Sentences

  • [...] het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] ik eene geschikte plaats uit, tegen eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden. (Robinson Crusoe)
  • [...] hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant waren. Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch beleggen. Equivalent to be- + leggen.

Verbs referencing "beleggen"

English belay, Swedish belägga, Danish belægge.

Additional Information