Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: oordelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oordelend
Past participle - Verleden deelwoord: geoordeeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | oordeel |
| jij | oordeelt |
| hij | oordeelt |
| wij | oordelen |
| jullie | oordelen |
| zij | oordelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geoordeeld |
| jij | hebt geoordeeld |
| hij | heeft geoordeeld |
| wij | hebben geoordeeld |
| jullie | hebben geoordeeld |
| zij | hebben geoordeeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | oordeelde |
| jij | oordeelde |
| hij | oordeelde |
| wij | oordeelden |
| jullie | oordeelden |
| zij | oordeelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geoordeeld |
| jij | had geoordeeld |
| hij | had geoordeeld |
| wij | hadden geoordeeld |
| jullie | hadden geoordeeld |
| zij | hadden geoordeeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal oordelen |
| jij | zult oordelen |
| hij | zal oordelen |
| wij | zullen oordelen |
| jullie | zullen oordelen |
| zij | zullen oordelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geoordeeld hebben |
| jij | zult geoordeeld hebben |
| hij | zal geoordeeld hebben |
| wij | zullen geoordeeld hebben |
| jullie | zullen geoordeeld hebben |
| zij | zullen geoordeeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou oordelen |
| jij | zou oordelen |
| hij | zou oordelen |
| wij | zouden oordelen |
| jullie | zouden oordelen |
| zij | zouden oordelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geoordeeld hebben |
| jij | zou geoordeeld hebben |
| hij | zou geoordeeld hebben |
| wij | zouden geoordeeld hebben |
| jullie | zouden geoordeeld hebben |
| zij | zouden geoordeeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'oordelen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'oordelen'
beoordelen,
borrelen,
doddelen,
doedelen,
gorgelen,
jodelen,
joedelen,
korrelen,
morrelen,
mortelen,
Translations
Sample Sentences
-
[...] beschermd was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had.
(Robinson Crusoe)
-
[...] van het begin tot het einde, zoo vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte. Hetgeen met hulp van [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en het aan anderen geschonken had, en toch van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en door de natuur van zijn wezen, oneindig heilig en regtvaardig was, zoo deze schepselen veroordeeld zouden worden, dat zij zich van hem verwijderd [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From oordeel + -en.
Additional Information