Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: volharden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: volhardend
Past participle - Verleden deelwoord: volhard
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | volhard |
| jij | volhardt |
| hij | volhardt |
| wij | volharden |
| jullie | volharden |
| zij | volharden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb volhard |
| jij | hebt volhard |
| hij | heeft volhard |
| wij | hebben volhard |
| jullie | hebben volhard |
| zij | hebben volhard |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | volhardde |
| jij | volhardde |
| hij | volhardde |
| wij | volhardden |
| jullie | volhardden |
| zij | volhardden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had volhard |
| jij | had volhard |
| hij | had volhard |
| wij | hadden volhard |
| jullie | hadden volhard |
| zij | hadden volhard |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal volharden |
| jij | zult volharden |
| hij | zal volharden |
| wij | zullen volharden |
| jullie | zullen volharden |
| zij | zullen volharden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal volhard hebben |
| jij | zult volhard hebben |
| hij | zal volhard hebben |
| wij | zullen volhard hebben |
| jullie | zullen volhard hebben |
| zij | zullen volhard hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou volharden |
| jij | zou volharden |
| hij | zou volharden |
| wij | zouden volharden |
| jullie | zouden volharden |
| zij | zouden volharden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou volhard hebben |
| jij | zou volhard hebben |
| hij | zou volhard hebben |
| wij | zouden volhard hebben |
| jullie | zouden volhard hebben |
| zij | zouden volhard hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'volharden'
aanaarden,
aanbanden,
aanbelanden,
aanbloeden,
aanboorden,
aanbranden,
aanduiden,
aanlanden,
aanleiden,
aanmelden,
aanranden,
aanspelden,
aanspoeden,
aanvaarden,
aanwenden,
aanzanden,
afbeelden,
afgronden,
afleiden,
afmelden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'volharden'
volhouden,
volleren,
aanaarden,
aanharken,
afharken,
afladen,
beladen,
bolderen,
coleren,
doleren,
Translations
perseverate, behaviour of exclusive and lasting obsession to a detail others consider minor
persist, continue to exist
Sample Sentences
-
[...] is iets anders, " hernam hij, " het is mijn beroep, en dus mijn pligt; maar als dit een proefreisje van u was, hebt gij een voorsmaak van hetgeen de Hemel u bestemd heeft, als gij in uw voornemen volhardt. Misschien zijn al deze ongelukken ons om uwentwil overkomen, even als Jona het vergaan van het schip van Tarsis verwekte. Zeg mij, bid ik u, wie zijt gij, en waarom gingt gij op zee ? " — Ik [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] want dat er nog zesentwintig man aan boord waren, die daar zij in eene muiterij hadden deel genomen, waardoor zij volgens de wet het leven verbeurd hadden, thans door wanhoop gedreven, daarin zouden volharden, wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal aan te [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zamenspanning gedwongen waren; maar dat de bootsman, die naar het scheen hun opperhoofd was, en al de overigen zoo slecht waren als het verdere scheepsvolk, en ongetwijfeld in hunnen aanslag zouden volharden. Hij beefde van angst, dat zij voor ons te sterk zouden zijn.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch volherden, volharden. By surface analysis, vol- + harden.
Additional Information