doordouwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doordouwen

The word "doordouwen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doordouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doordouwend
Past participle - Verleden deelwoord: doorgedouwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdouw door
jijdouwt door
hijdouwt door
wijdouwen door
julliedouwen door
zijdouwen door

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb doorgedouwd
jijhebt doorgedouwd
hijheeft doorgedouwd
wijhebben doorgedouwd
julliehebben doorgedouwd
zijhebben doorgedouwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdouwde door
jijdouwde door
hijdouwde door
wijdouwden door
julliedouwden door
zijdouwden door

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad doorgedouwd
jijhad doorgedouwd
hijhad doorgedouwd
wijhadden doorgedouwd
julliehadden doorgedouwd
zijhadden doorgedouwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doordouwen
jijzult doordouwen
hijzal doordouwen
wijzullen doordouwen
julliezullen doordouwen
zijzullen doordouwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal doorgedouwd hebben
jijzult doorgedouwd hebben
hijzal doorgedouwd hebben
wijzullen doorgedouwd hebben
julliezullen doorgedouwd hebben
zijzullen doorgedouwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doordouwen
jijzou doordouwen
hijzou doordouwen
wijzouden doordouwen
julliezouden doordouwen
zijzouden doordouwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou doorgedouwd hebben
jijzou doorgedouwd hebben
hijzou doorgedouwd hebben
wijzouden doorgedouwd hebben
julliezouden doorgedouwd hebben
zijzouden doorgedouwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdouw door

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information