verhelderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verhelderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verhelderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verhelderend
Past participle - Verleden deelwoord: verhelderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverhelder
jijverheldert
hijverheldert
wijverhelderen
jullieverhelderen
zijverhelderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verhelderd
jijhebt verhelderd
hijheeft verhelderd
wijhebben verhelderd
julliehebben verhelderd
zijhebben verhelderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverhelderde
jijverhelderde
hijverhelderde
wijverhelderden
jullieverhelderden
zijverhelderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verhelderd
jijhad verhelderd
hijhad verhelderd
wijhadden verhelderd
julliehadden verhelderd
zijhadden verhelderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verhelderen
jijzult verhelderen
hijzal verhelderen
wijzullen verhelderen
julliezullen verhelderen
zijzullen verhelderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verhelderd hebben
jijzult verhelderd hebben
hijzal verhelderd hebben
wijzullen verhelderd hebben
julliezullen verhelderd hebben
zijzullen verhelderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verhelderen
jijzou verhelderen
hijzou verhelderen
wijzouden verhelderen
julliezouden verhelderen
zijzouden verhelderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verhelderd hebben
jijzou verhelderd hebben
hijzou verhelderd hebben
wijzouden verhelderd hebben
julliezouden verhelderd hebben
zijzouden verhelderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverhelder

Translations

  • elucidate, make clear
  • illuminate, to clarify or make something understandable
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From helder (“clear”) + ver- -en.

    Additional Information