veredelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of veredelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: veredelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: veredelend
Past participle - Verleden deelwoord: veredeld

Cognates

See the 5 cognates of veredelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikveredel
jijveredelt
hijveredelt
wijveredelen
jullieveredelen
zijveredelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb veredeld
jijhebt veredeld
hijheeft veredeld
wijhebben veredeld
julliehebben veredeld
zijhebben veredeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikveredelde
jijveredelde
hijveredelde
wijveredelden
jullieveredelden
zijveredelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad veredeld
jijhad veredeld
hijhad veredeld
wijhadden veredeld
julliehadden veredeld
zijhadden veredeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal veredelen
jijzult veredelen
hijzal veredelen
wijzullen veredelen
julliezullen veredelen
zijzullen veredelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal veredeld hebben
jijzult veredeld hebben
hijzal veredeld hebben
wijzullen veredeld hebben
julliezullen veredeld hebben
zijzullen veredeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou veredelen
jijzou veredelen
hijzou veredelen
wijzouden veredelen
julliezouden veredelen
zijzouden veredelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou veredeld hebben
jijzou veredeld hebben
hijzou veredeld hebben
wijzouden veredeld hebben
julliezouden veredeld hebben
zijzouden veredeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijveredel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

verbeteren
verfijnen

Antonyms

verbeteren
verslechteren

Sample Sentences

Etymology

From edel (“noble”) + ver- -en.

Verbs referencing "veredelen"

Swedish förädla.

Additional Information