vaccineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vaccineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vaccineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vaccinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gevaccineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvaccineer
jijvaccineert
hijvaccineert
wijvaccineren
jullievaccineren
zijvaccineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevaccineerd
jijhebt gevaccineerd
hijheeft gevaccineerd
wijhebben gevaccineerd
julliehebben gevaccineerd
zijhebben gevaccineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvaccineerde
jijvaccineerde
hijvaccineerde
wijvaccineerden
jullievaccineerden
zijvaccineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevaccineerd
jijhad gevaccineerd
hijhad gevaccineerd
wijhadden gevaccineerd
julliehadden gevaccineerd
zijhadden gevaccineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vaccineren
jijzult vaccineren
hijzal vaccineren
wijzullen vaccineren
julliezullen vaccineren
zijzullen vaccineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevaccineerd hebben
jijzult gevaccineerd hebben
hijzal gevaccineerd hebben
wijzullen gevaccineerd hebben
julliezullen gevaccineerd hebben
zijzullen gevaccineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vaccineren
jijzou vaccineren
hijzou vaccineren
wijzouden vaccineren
julliezouden vaccineren
zijzouden vaccineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevaccineerd hebben
jijzou gevaccineerd hebben
hijzou gevaccineerd hebben
wijzouden gevaccineerd hebben
julliezouden gevaccineerd hebben
zijzouden gevaccineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvaccineer

Translations

  • vaccinate, treat with a vaccine
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French vacciner. Equivalent to vaccin + -eren. See: French 'vacciner'.

    Additional Information