badineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of badineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: badineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: badinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebadineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbadineer
jijbadineert
hijbadineert
wijbadineren
julliebadineren
zijbadineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebadineerd
jijhebt gebadineerd
hijheeft gebadineerd
wijhebben gebadineerd
julliehebben gebadineerd
zijhebben gebadineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbadineerde
jijbadineerde
hijbadineerde
wijbadineerden
julliebadineerden
zijbadineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebadineerd
jijhad gebadineerd
hijhad gebadineerd
wijhadden gebadineerd
julliehadden gebadineerd
zijhadden gebadineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal badineren
jijzult badineren
hijzal badineren
wijzullen badineren
julliezullen badineren
zijzullen badineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebadineerd hebben
jijzult gebadineerd hebben
hijzal gebadineerd hebben
wijzullen gebadineerd hebben
julliezullen gebadineerd hebben
zijzullen gebadineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou badineren
jijzou badineren
hijzou badineren
wijzouden badineren
julliezouden badineren
zijzouden badineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebadineerd hebben
jijzou gebadineerd hebben
hijzou gebadineerd hebben
wijzouden gebadineerd hebben
julliezouden gebadineerd hebben
zijzouden gebadineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbadineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French badiner. See: French 'badiner'.

Additional Information