revaccineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of revaccineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: revaccineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: revaccinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerevaccineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrevaccineer
jijrevaccineert
hijrevaccineert
wijrevaccineren
jullierevaccineren
zijrevaccineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerevaccineerd
jijhebt gerevaccineerd
hijheeft gerevaccineerd
wijhebben gerevaccineerd
julliehebben gerevaccineerd
zijhebben gerevaccineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrevaccineerde
jijrevaccineerde
hijrevaccineerde
wijrevaccineerden
jullierevaccineerden
zijrevaccineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerevaccineerd
jijhad gerevaccineerd
hijhad gerevaccineerd
wijhadden gerevaccineerd
julliehadden gerevaccineerd
zijhadden gerevaccineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal revaccineren
jijzult revaccineren
hijzal revaccineren
wijzullen revaccineren
julliezullen revaccineren
zijzullen revaccineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerevaccineerd hebben
jijzult gerevaccineerd hebben
hijzal gerevaccineerd hebben
wijzullen gerevaccineerd hebben
julliezullen gerevaccineerd hebben
zijzullen gerevaccineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou revaccineren
jijzou revaccineren
hijzou revaccineren
wijzouden revaccineren
julliezouden revaccineren
zijzouden revaccineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerevaccineerd hebben
jijzou gerevaccineerd hebben
hijzou gerevaccineerd hebben
wijzouden gerevaccineerd hebben
julliezouden gerevaccineerd hebben
zijzouden gerevaccineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrevaccineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information