actioneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of actioneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: actioneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: actionerend
Past participle - Verleden deelwoord: geactioneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikactioneer
jijactioneert
hijactioneert
wijactioneren
jullieactioneren
zijactioneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geactioneerd
jijhebt geactioneerd
hijheeft geactioneerd
wijhebben geactioneerd
julliehebben geactioneerd
zijhebben geactioneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikactioneerde
jijactioneerde
hijactioneerde
wijactioneerden
jullieactioneerden
zijactioneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geactioneerd
jijhad geactioneerd
hijhad geactioneerd
wijhadden geactioneerd
julliehadden geactioneerd
zijhadden geactioneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal actioneren
jijzult actioneren
hijzal actioneren
wijzullen actioneren
julliezullen actioneren
zijzullen actioneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geactioneerd hebben
jijzult geactioneerd hebben
hijzal geactioneerd hebben
wijzullen geactioneerd hebben
julliezullen geactioneerd hebben
zijzullen geactioneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou actioneren
jijzou actioneren
hijzou actioneren
wijzouden actioneren
julliezouden actioneren
zijzouden actioneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geactioneerd hebben
jijzou geactioneerd hebben
hijzou geactioneerd hebben
wijzouden geactioneerd hebben
julliezouden geactioneerd hebben
zijzouden geactioneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijactioneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information