markeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of markeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: markeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: markerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemarkeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmarkeer
jijmarkeert
hijmarkeert
wijmarkeren
julliemarkeren
zijmarkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemarkeerd
jijhebt gemarkeerd
hijheeft gemarkeerd
wijhebben gemarkeerd
julliehebben gemarkeerd
zijhebben gemarkeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmarkeerde
jijmarkeerde
hijmarkeerde
wijmarkeerden
julliemarkeerden
zijmarkeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemarkeerd
jijhad gemarkeerd
hijhad gemarkeerd
wijhadden gemarkeerd
julliehadden gemarkeerd
zijhadden gemarkeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal markeren
jijzult markeren
hijzal markeren
wijzullen markeren
julliezullen markeren
zijzullen markeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemarkeerd hebben
jijzult gemarkeerd hebben
hijzal gemarkeerd hebben
wijzullen gemarkeerd hebben
julliezullen gemarkeerd hebben
zijzullen gemarkeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou markeren
jijzou markeren
hijzou markeren
wijzouden markeren
julliezouden markeren
zijzouden markeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemarkeerd hebben
jijzou gemarkeerd hebben
hijzou gemarkeerd hebben
wijzouden gemarkeerd hebben
julliezouden gemarkeerd hebben
zijzouden gemarkeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmarkeer

Translations

  • buoy, mark with a buoy
  • flag, to mark with a flag
  • mark, indicate
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanduiden
    aangeven
    afzetten
    aanzetten, aandoen, aandraaien, inschakelen, starten

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information