stikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stikkend
Past participle - Verleden deelwoord: gestikt

Cognates

See the 2 cognates of stikken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstik
jijstikt
hijstikt
wijstikken
julliestikken
zijstikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben gestikt
jijbent gestikt
hijis gestikt
wijzijn gestikt
julliezijn gestikt
zijzijn gestikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstikte
jijstikte
hijstikte
wijstikten
julliestikten
zijstikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas gestikt
jijwas gestikt
hijwas gestikt
wijwaren gestikt
julliewaren gestikt
zijwaren gestikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stikken
jijzult stikken
hijzal stikken
wijzullen stikken
julliezullen stikken
zijzullen stikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestikt zijn
jijzult gestikt zijn
hijzal gestikt zijn
wijzullen gestikt zijn
julliezullen gestikt zijn
zijzullen gestikt zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stikken
jijzou stikken
hijzou stikken
wijzouden stikken
julliezouden stikken
zijzouden stikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestikt zijn
jijzou gestikt zijn
hijzou gestikt zijn
wijzouden gestikt zijn
julliezouden gestikt zijn
zijzouden gestikt zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijstik

Translations

  • boil, colloquial: of a person, to be uncomfortably hot
  • choke, be unable to breathe because of obstruction of the windpipe
  • smother, to suffocate
  • stew, to suffer under hot conditions
  • stifle, to die of suffocation
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    zwemmen
    verzuipen
    doodvallen
    barsten

    Sample Sentences

    • Uche uche uche uche uche, / het stikt hier van de muggen. [1973, Vader Abraham, zijn Goede Zonen, “Uche uche”, in Vader Abraham & zijn Goede Zonen:]

    Etymology

    From Middle Dutch sticken, from Old Dutch *sticcon, from Proto-West Germanic *stikkōn, from Proto-Germanic *stikkōną. See: Old Dutch '*sticcon', Proto-Germanic '*stikkōną'.

    Verbs referencing "stikken"

    Luxembourgish stécken.

    Additional Information