steunen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of steunen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: steunen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: steunend
Past participle - Verleden deelwoord: gesteund

Cognates

See the 5 cognates of steunen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksteun
jijsteunt
hijsteunt
wijsteunen
julliesteunen
zijsteunen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesteund
jijhebt gesteund
hijheeft gesteund
wijhebben gesteund
julliehebben gesteund
zijhebben gesteund

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksteunde
jijsteunde
hijsteunde
wijsteunden
julliesteunden
zijsteunden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesteund
jijhad gesteund
hijhad gesteund
wijhadden gesteund
julliehadden gesteund
zijhadden gesteund

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal steunen
jijzult steunen
hijzal steunen
wijzullen steunen
julliezullen steunen
zijzullen steunen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesteund hebben
jijzult gesteund hebben
hijzal gesteund hebben
wijzullen gesteund hebben
julliezullen gesteund hebben
zijzullen gesteund hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou steunen
jijzou steunen
hijzou steunen
wijzouden steunen
julliezouden steunen
zijzouden steunen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesteund hebben
jijzou gesteund hebben
hijzou gesteund hebben
wijzouden gesteund hebben
julliezouden gesteund hebben
zijzouden gesteund hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsteun

Translations

  • aid, to support
  • back, to support
  • encourage, foster, give help or patronage
  • support, to support
  • support, to keep from falling
  • support, to back a cause, party, etc., mentally or with concrete aid
  • support, to help, particularly financially
  • truss, to support
  • uphold, to keep erect
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    schoren
    schragen, stutten
    bevorderen
    bijstaan, helpen
    leunen
    rusten
    kermen
    kreunen

    Antonyms

    bevorderen
    tegenwerken, belemmeren, dwarsbomen, dwarszitten, tegenstreven

    Sample Sentences

    • [...] in het midden der maatschappij en van al de genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen. (Robinson Crusoe)
    • [...] gerucht te maken, dat ik daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of uitging, had ik eene soort [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had, door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch stōnen, from Old Dutch *stonōn, *stunōn, from Proto-West Germanic *stunōn (“to sound, crash, bang, strike, knock”), from Proto-Germanic *stunōną (“to make a loud sound, thunder, crash, rumble, groan”), from Proto-Indo-European *(s)tenh₂- (“to thunder”). See: Proto-Germanic '*stunōną'.

    Verbs referencing "steunen"

    English stun, German, old spelling stöhnen.

    Additional Information