Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: sterken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sterkend
Past participle - Verleden deelwoord: gesterkt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | sterk |
| jij | sterkt |
| hij | sterkt |
| wij | sterken |
| jullie | sterken |
| zij | sterken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gesterkt |
| jij | hebt gesterkt |
| hij | heeft gesterkt |
| wij | hebben gesterkt |
| jullie | hebben gesterkt |
| zij | hebben gesterkt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | sterkte |
| jij | sterkte |
| hij | sterkte |
| wij | sterkten |
| jullie | sterkten |
| zij | sterkten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gesterkt |
| jij | had gesterkt |
| hij | had gesterkt |
| wij | hadden gesterkt |
| jullie | hadden gesterkt |
| zij | hadden gesterkt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal sterken |
| jij | zult sterken |
| hij | zal sterken |
| wij | zullen sterken |
| jullie | zullen sterken |
| zij | zullen sterken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gesterkt hebben |
| jij | zult gesterkt hebben |
| hij | zal gesterkt hebben |
| wij | zullen gesterkt hebben |
| jullie | zullen gesterkt hebben |
| zij | zullen gesterkt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou sterken |
| jij | zou sterken |
| hij | zou sterken |
| wij | zouden sterken |
| jullie | zouden sterken |
| zij | zouden sterken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gesterkt hebben |
| jij | zou gesterkt hebben |
| hij | zou gesterkt hebben |
| wij | zouden gesterkt hebben |
| jullie | zouden gesterkt hebben |
| zij | zouden gesterkt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'sterken'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'sterken'
steken,
sterven,
kerken,
merken,
sieren,
smeken,
smeren,
sneren,
snurken,
speren,
Translations
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- aanmoedigen
- steunen
Sample Sentences
-
[...] der Heilige Schrift invielen: " Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u verlossen en gij zult Mij verheerlijken. " Hierop stapte ik welgemoed ten bedde uit; niet alleen was mijn hart gesterkt, maar ik was geleid en bemoedigd om God ernstig om verlossing te smeeken. Het is onmogelijk te zeggen, welk eene gerustheid dit mij verschafte, en ik was niet meer neêrslagtig, althans te dier tijd [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om onschuldige [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch sterken, from Old Dutch *sterken, from Proto-West Germanic *starkijan.
Additional Information